Zitting Rechtbank – Bomenkap plantsoen A-Kerk Groningen?

Afgelopen maandagochtend (25-02-2019) vond de zitting plaats bij de rechtbank m.b.t. het beroep van de Stichting Bomenridders Groningen tegen het besluit op bezwaar rond de geplande bomenkap en herinrichting van het parkje bij de A-Kerk toren. Het was een representatieve behandeling van de voorliggende thema’s en geschilpunten. Diverse deskundigen brachten ter ondersteuning van de bezwaarmakende partij uitstekende argumenten in tegen de voorgenomen acties. De gemeente hield vast aan haar standpunten en wilde onder druk (nog) niet wijken. De rechter oordeelt nog deze week.

Richting het einde van de zitting kwam duidelijker in beeld waar het de gemeente om te doen was en is. In essentie en ook primair wil de gemeente ter plekke een situatie realiseren die ze samenvat onder de term ‘verblijfsplek’ met beleving.

In tweede instantie wil de gemeente de conditie van een deel van de bomen verbeteren en kiest daartoe voor kap van vijf bomen en de herplant van een boom. Maar omdat de bomen boven- en ondergronds als 1 geheel verstrengeld zijn, bestaat juist het risico dat kap van een deel ervan schade toebrengt aan de resterende bomen.

De gemeente heeft bedacht dat bezoekers van de plek daar moeten kunnen verblijven en iets beleven, meemaken. Dus moet er meer ruimte komen om te lopen, te staan en te zitten. Er moet ook iets wervends vanuit gaan, het attractieniveau moet omhoog, want het is qua beleving nu niet attractief genoeg, zo meent men bij de gemeente. In de eerste plannen wilde men ook ledlampjes ophangen in de bomen bij wijze van sfeerlicht.

Om de plek te waarderen zoals deze nu is, hoef je je niet in de plek te begeven. Je kunt de locatie ook en misschien juist vanaf enige afstand beleven en ondergaan. Ondergaan is misschien het meest juiste woord voor wat de plek nu heeft te bieden, namelijk sereniteit, iets wat de stad in toenemende mate gaat missen, want in de plannen moet met name de binnenstad meer gaan bruisen en verdichten, dus toename van hectiek. Er is ook bij de tot stand gekomen planontwikkeling overduidelijk een commercieel belang, waar op zich niks mis mee is. Ook lijkt hier de zogenaamde vergroening van de (binnen)stad vooral gericht te zijn op de stedeling, de mens en niet op het vasthouden en versterken van natuur in de stad.

Wel mis is, dat het steeds duidelijker wordt dat de plek zodanig lijkt te worden ingericht, dat er qua trottoir meer overloopruimte ontstaat voor bezoekers van bijvoorbeeld festiviteiten in en rondom de kerk. Via tijdelijke vergunningen zou de plek bij piekbelasting qua bezoekersaantallen zomaar beschikbaar kunnen komen voor uitbaters in de omtrek; de ruimte krijgt zo terrasfunctie met eventuele bediening vanuit elders en dit is in strijd met de ook door de kerk vastgelegde functie van plantsoen. Duidelijk is dat de functie sereniteit hieronder lijdt en zeker irreversibel is na kap van bomen en plaatsing plantenbakken.De vraag is ook hoe vaak in een jaar het parkje specifiek als verblijfsplek (dus om er enige tijd te blijven staan of zitten) geschikt is, gezien de toename van zonbestraling, hitte en winderigheid.

De plek blijft in de huidige staat qua sfeer, klimaat en ecologie z’n waarde houden tijdens alle weersomstandigheden en is vanuit dat perspectief veel productiever; ze biedt beschutting en dempt allerlei negatieve invloeden. Al met al is het idee verblijfsplek van de gemeente een misschien te roze wolk die neer wordt gelaten op een plek die als zodanig al okay is.

Onderstaand twee impressies van de locatie vanuit het maquette perspectief van de gemeente en vanuit de huidige situatie:

Het gewenste gemeentelijk streefbeeld

De A-kerk met z’n bomen acht de gemeente niet attractief genoeg. In het parkje moet meer aanleiding zijn en ruimte komen voor volk om er te gaan verblijven (chillen, ijsje eten, pas gekochte spulletjes uitpakken, het in pauzetijd nuttigen van meegebracht lunchpakket). Het moet lichter en zonniger worden en dus moeten de bomen aan de buitenrand weg. Plantenbakken met cultivars die tegen molest en oneigenlijk gebruik en behoeftes bestand zijn nemen hun plek in. Rasters op de verruimd te betreden bodem houden de grond luchtig en moeten gras toch een kans geven.

De plek wordt idealiter en gechargeerd in het vooruit beleefd zoals het alleen in maquettes kan. Bij voorbeeld een kind met een hoepel, een oude man met een wandelstok, een zoenend paartje op de plantenbak, de lezer van een zopas gekocht boek en een jolige fietser die binnendoor sneller thuis denkt te zijn en nog maar net een kinderwagen kan ontwijken. Over veel zaken is echter nog onvoldoende nagedacht; eerst kappen, dan verder zien. Dat lijkt binnen de ambtelijke uitvoeringsdiensten steeds vaker het motto te worden.

De realiteit van al deze papieren beleving zal veel schraler zijn

Stoeltjes zonder vaste woon-, of verblijfplaats die een zwervend leven gaan leiden en besmeurd raken. Wie gaat dit onderhouden, zodat ook nog net niet opwaaiende smetteloze zomerjurken zonder terughouding dergelijke zitgelegenheid gaan benutten. Een verward persoon die luidkeels vanaf een zitplek ongearticuleerd zijn ongenoegen uit over hoe zijn leven toch zo uit de rails kon lopen. Een jongmens dat zittend op de rand van een plantenbak zijn leeg gegeten patatbakje met een sierlijke boog midden tussen het gewas in de plantenbak doet belanden. Met als bijkomend geluk dat de technische vooruitgang deze (bio)plastics tegen die tijd spontaan afbreekbaar heeft gemaakt en zelfs het nepgroen via absorptie een subtiel gezonde glans kan meegeven. Slechts voor een klein deel van het jaar zal de plek uitnodigen om er te verblijven, gezien de wisselend optredende winderigheid, onbeschutte regenval en felle zonneschijn.

Huidige situatie

Dan de beleving die er nu is:

Een wat ernstiger plek, wat donkerder, koeler, veel sfeer en vooral rust, prettig verstoord door kraaien die luidkeels in de hoogste top van een boom hun natuurlijke aanwezigheid kenbaar maken. Een plek om even bij stil te staan, vaker op een afstandje, een plek ook die niet veel extra’s nodig heeft om waarde uit te stralen. En vooral: een natuurlijker plek ten opzichte van culturele opsmuk zoals gepland.

Epiloog

De stad (alles binnen de oude gemeentegrens) gaat intensiveren en inbreidend groeien, maar de (echte) natuur voor zover die er nog was groeit niet mee. De gemeente neigt naar bomen tellen (er komen op nabij gelegen plek toch bomen bij ?), maar dient de totaal resulterende waarden te wegen. Door de kap van de oudere bomen neemt de biodiversiteit abrupt af en aanplant in de buurt heeft veel meer tijd nodig dit verlies enigszins te compenseren. Als de nieuwe bomen gerekend naar de aspecten klimaat, sfeer en ecologie wat meer vlees op de botten hebben, is een onvermijdelijk geworden kap van de oudere bomen op dat uitgestelde moment een logischer keuze.

Terwijl natuurlijke beplanting onder druk komt te staan, rukt het (belevings)groen op. Afgeleid van natuurlijke bronnen, vormt het een waas van groene en steriele stoffering die zich naadloos plooiend aanpast aan de stenige stad, een soort postnatuurlijke schimmel met duurzamer eigenschappen en onderhoudsvriendelijker in het gebruik. Hier en daar rukt ook al plastic nepgroen op. De stedeling leert af het verschil te zien. De belevingswaarde en het rendement zijn primair en daaraan worden overige functies ondergeschikt gemaakt. De natuur in een dienende rol op laag beheersbaar niveau.

Zou het niet verstandig zijn als Raad en College nog eens het plan zouden heroverwegen en intrekken om zo ten minste tijd in te lassen om roze wolken in alle rust op hun werkelijke effect, nut en (mogelijk verborgen) achterliggende motivatie te kunnen beoordelen. Men moet dan wel heel erg snel zijn, en adequaat reageren want de cirkelzagen zijn al uit het vet gehaald.

E.M. Vroom